Wat als aanspreken op gedrag geen effect heeft?

Tijdens bijna iedere les komt het voor dat leerlingen gedrag laten zien dat niet past op dat moment. Vaak zijn dat onschuldige maar evengoed soms lastige zaken zoals even iets tegen je buurman zeggen tijdens de uitleg of even afgeleid worden door iemand die voorbij komt op de gang.

artikel_aanspreken_opgedrag

 

Een goede docent geeft daarop feedback aan de leerling waaruit blijkt welk gedrag van de leerling wordt verwacht. Bijvoorbeeld: “Yanick, je praat nog steeds, waardoor ik afgeleid word. Ik wil dat je tijdens mijn uitleg stil bent”.  

Als dergelijk gedrag desondanks telkens terug blijft komen en er geen enkele positieve verandering in het gedrag van de leerling optreedt, is het niet verwonderlijk dat een docent zich daaraan gaat ergeren: de feedback heeft immers geen effect. 
Dat wordt vaak versterkt als er geen reden voor het vertoonde gedrag lijkt te zijn. Immers: als er sprake blijkt te zijn van een leerstoornis, belemmeringen binnen het gezin, kortom als de onderliggende redenen voor het gedrag bekend zijn, kan een handelingsplan worden opgesteld. Maar wat nu als er geen sprake is van stoornissen en belemmeringen: een leerling waar niets mee aan de hand is, maar die toch telkens in hetzelfde storende gedrag vervalt? Dan is het verleidelijk om in een oordeel te vervallen zoals: het zit in zijn karakter, hij wil gewoon niet, hij heeft een negatieve instelling of hij is er op uit om mijn les te verzieken. Een dergelijk oordeel helpt echter niet om een positieve verandering te bewerkstellingen.  

Een verklaring voor het gedrag van dergelijke leerlingen kan worden gevonden in de wijze waarop hersenen zich ontwikkelen. Tijdens de adolescentie worden verschillende hersenfuncties ontwikkeld. Pas rond het 25e levensjaar is die ontwikkeling voltooid. De volgorde van de ontwikkeling van die functies verschilt per jongere. Zo kan de ene leerling al op vroege leeftijd planmatig vooruit denken, terwijl de andere dat pas tijdens zijn vervolgopleiding op 22 jarige leeftijd begint te ontwikkelen. Evenzo kan de ene leerling al vroeg in staat zijn het effect van zijn gedrag op anderen in te schatten, terwijl de andere leerling daar op school nog geen enkel besef van heeft en daar op 24 jarige leeftijd door schade en schande in zijn eerste baan pas achter komt. 
De genetische aanleg vormt het ontwerpplan voor de ontwikkeling van de leerling. Hoe de ontwikkeling zich uiteindelijke voltrekt, wordt bepaald door de ervaringen die het kind opdoet, thuis, op school en met vrienden en vriendinnen. Het gezin en de school helpen als het goed is de ontwikkeling van een kind gestalte te geven door te stimuleren en in te spelen op eventuele ‘ontwerpfouten’. De opgedane ervaringen die leiden tot de ontwikkeling van een kind zetten zich letterlijk vast in de hersenen in de vorm van netwerken van verbindingen tussen hersencellen.  

Een opvallend kenmerk van leerlingen die storend gedrag vertonen zonder dat sprake is van stoornissen of belemmeringen binnen het gezin of op school is dat ze zelf absoluut niet in staat zijn iets van een motief daarvoor te benoemen: ze zijn er niet moedwillig op uit een les te verzieken. Als je hen vraagt naar hun motieven, geven ze stelselmatig antwoorden als: “ik weet niet” of: “het gebeurt gewoon”. Zelfs: “wat gebeurt er dan?” en “wat gebeurt er dan met jou?” zijn voor hen moeilijk te beantwoorden vragen. Deze leerlingen hebben letterlijk nog geen taal ontwikkeld om een antwoord op dergelijke vragen te kunnen geven, laat staan dat ze bewust kunnen kiezen hun gedrag te veranderen: ze hebben geen idee hoe en aangereikte tips kunnen ze niet toepassen.  

Yanick uit 3vwo is een jongen die uit een warm nest komt. Zijn ouders zijn erg bij hem en zijn functioneren op school betrokken. Yanick is erg intelligent maar regelmatig snel afgeleid. Telkens heeft hij het druk met zijn vrienden en sinds kort ook met vriendinnen. De ene keer haalt hij hoge cijfers, de ander keer bakt hij er totaal niets van. Tot nu toe is hij steeds net op het nippertje met minimale resultaten naar de volgende klas bevorderd. Elke keer als hij wordt aangesproken op zijn storende gedrag belooft hij oprecht beterschap, maar vaak is hij dat na een uur al weer vergeten. In gesprekken geeft hij aan het goed naar zijn zin te hebben en graag het vwo af te maken. Hij heeft geen idee hoe het komt dat hij zich iedere keer laat afleiden: het gebeurt ‘gewoon’. Voor veel docenten uit het team dat lesgeeft aan de klas waarin Yanick zit, is de grens bereikt: ze zijn hem liever kwijt dan rijk. Bij sommige docenten staat hij vanaf het begin van de les al buiten op de gang. Yanick begint de moed op te geven en zijn motivatie voor school te verliezen.

Hulp aan leerlingen zoals Yanick vertoont een aantal kenmerken:

1. Ga uit van het kenmerkende gedrag: dit is het vertrekpunt dat de leerling het meest vertrouwd is.

Kies daarvoor een concrete situatie waarin de leerling het kenmerkende gedrag vertoont en laat de leerling zo precies mogelijk vertellen wat er gebeurt. Laat de leerling dat in de tegenwoordige tijd doen alsof het nu gebeurt om de situatie, het ‘vergrootglasmoment’, zo levendig mogelijk te maken om erachter te komen wat er precies gebeurt en hoe de leerling die situatie beleeft. In het begin vinden leerlingen dat lastig. In deze fase is het belangrijk dat leerlingen leren observeren en onder woorden brengen wat er feitelijk in een dergelijke situatie gebeurt, wat ze zien en horen bij de anderen en hoe zij de situatie zelf ervaren.
Yanick vertelt aan zijn mentor: “ik heb engels van mijnheer Robberts. We werken in groepjes. We moeten een opdracht maken. Dan gaat hij de volgende opdracht uitleggen. Ik zeg nog wat tegen Angelo en Jeroen (die zitten bij mij in het groepje) en dan zegt mijnheer Robberts dat ik voor de 3e keer tijdens de les er door heen zit te praten en dan moet ik eruit”.
“Yanick, stel je het moment weer helemaal voor: mijnheer Robberts wil iets uitleggen. Wat zegt hij?” Yanick: “jongens, even opletten”. Mentor op dezelfde toon: “jongens, even opletten.… En wat gebeurt er nu bij jou?” Yanick denkt een poosje na: “ik weet niet….. Ik hoor hem wel”. Mentor weer op dezelfde toon: “jongens, even opletten.…”. Yanick: “eigenlijk vind ik het vervelend”. Mentor: “wat vind je vervelend?” “Dat we moeten stoppen. We waren net lekker bezig”. Mentor: “lekker bezig. Wat bedoel je met lekker?” Yanick onmiddellijk: “nou, ik kan gewoon goed opschieten met Angelo en Jeroen. Eigenlijk met iedereen uit de klas. En dan zit je net lekker te praten, ook over de opdracht hoor en dan moet je weer stoppen”.
In deze fase krijgt Yanick ook observatieopdrachten mee om hem te leren niet alleen te kijken naar het gedrag van zijn medeleerlingen maar ook naar het gedrag dat docenten laten zien. Bijvoorbeeld: “ga eens kijken hoe je aan mijnheer Robberts van te voren al kunt zien dat hij de aandacht van de klas wil. Wat doet hij? Hoe kijkt hij? Welke gebaren maakt hij? En wat zegt hij dan?”

2. Onderzoek de psychologische winst van het vertoonde gedrag: wat levert het de leerling op? Wat is daarbij voor de leerling van werkelijk belang?

In dit stadium is het belangrijk dat de begeleider deze winst accepteert. Als bijvoorbeeld het krijgen van aandacht van medeleerlingen de psychologische winst is die ten grondslag ligt aan het te pas en te onpas als clown in de klas te opereren, zal het aandacht vragen geaccepteerd moeten worden.
We pakken het gesprek met Yanick weer op. Yanick: “nou, ik kan gewoon goed opschieten met Angelo en Jeroen. Eigenlijk met iedereen uit de klas. En dan zit je net lekker te praten, ook over de opdracht hoor en dan moet je weer stoppen”. Mentor: “hoe belangrijk is dat voor jou: goed kunnen opschieten met iedereen?” Yanick: “nou, dan voel ik me goed, als ik met iedereen kan opschieten”. Mentor: “en als meneer Robberts dan boos op je wordt?” “Ja, nou ja. Dat vind ik heus wel erg. Dan probeer ik het goed te maken”.
Naarmate het gesprek vorderde, kreeg Yanick in de gaten dat hij er voortdurend op gericht was om het anderen, vooral medeleerlingen naar de zin te maken. Daar ging al zijn aandacht naar uit.
Bovendien kwam uit het gesprek naar voren wat zijn gedrag hem aan positiefs opleverde: “(bijna) iedereen (medeleerlingen) vindt mij leuk”. Daarnaast werd hem duidelijk hoe hij dat voor elkaar kreeg: door veel met anderen (medeleerlingen) te praten over zaken waarvan hij in de gaten had dat ze zich daarvoor interesseerden. Tegelijkertijd werd hem duidelijk welke problemen zijn gedrag hem opleverde: veel docenten die hem niet meer konden hebben en het gevoel dat hij nooit iedereen tevreden kon stellen

3. Ga met de leerling op zoek naar de wijze waarop de psychologische winst kan worden vertaald in gewenst gedrag.

Laat de leerling tot in de kleinste details beschrijven hoe het toekomstige gedrag eruit gaat zien en laat het visualiseren. Het onder woorden brengen en visualiseren heeft tot gevolg dat het gewenste gedrag in de hersenen wordt vastgelegd. Hoe uitgebreider en vaker dat gebeurt hoe groter de kans dat het gedrag ook daadwerkelijk zichtbaar wordt. In het geval van Yanick ging de mentor na hoe hij zijn positieve intentie kon inzetten in zijn relatie met docenten. In deze fase komen telkens de vragen terug: “wat ga je dan doen? Hoe ga je dat doen? Waar? Met wie? Wanneer?”

4. Help de leerling de context te veranderen.

Medeleerlingen zijn het oude gedrag gewend en anticiperen daarop. Daardoor zal de kans op terugval in oud gedrag groot zijn als de omgeving niet op zijn minst voor een deel mee verandert. De centrale vraag aan de leerling is hier: “wat heb jij nodig om succes te behalen en van wie heb je dat nodig?” Belangrijk is dat de leerling daar zelf ook bij ingeschakeld blijft en daarmee ook verantwoordelijk is voor de beoogde veranderingen: zelf met de betrokken docenten gaan praten, zelf tegen je vrienden zeggen dat je op sommige momenten met rust gelaten moet worden. Steun van de begeleider is daarbij uiteraard onmisbaar. Yanick gaf bijvoorbeeld aan dat hij tijdens sommige lessen beter niet naast Angelo en Jeroen kon zitten. Samen met zijn mentor maakte hij daarover afspraken met docenten en met Angelo en Jeroen. Het is belangrijk om te beseffen dat het voor leerlingen heel veel verschil kan uitmaken dat zij zelf bij dergelijke afspraken worden ingeschakeld in plaats van simpel door de docent op een andere plaats te worden gezet.
Tegelijkertijd is het belangrijk dat de docenten die lesgeven aan de betreffende leerling op de hoogte zijn van het traject dat wordt doorlopen en daarop anticiperen in hun les. Ook gesprekjes met medeleerlingen kunnen bijdragen aan een positief resultaat.
In het geval van Yanick nam hij zijn vrienden een keer mee op gesprek. Zij haalden betere resultaten dan hij omdat zij wel in de gaten hadden wanneer het tijd werd om op te letten. Ze spraken met de mentor af hoe ze Yanick konden helpen, mocht het eens een keertje weer fout dreigen te gaan.