Hoe voer je een effectief klassengesprek?

Een van de belangrijkste taken die een docent heeft, is het scheppen van een positief pedagogisch klimaat. De manier waarop leerlingen onderling op elkaar reageren, het pakket van ongeschreven regels volgens welke je je als leerling in de groep dient te gedragen, bepaalt in grote mate de veiligheid voor de leerling als individu binnen de groep.  

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

De ontwikkeling van een veilig groepsklimaat schept de voorwaarden om effectief te kunnen leren. Een docent kan een grote positieve invloed hebben op de ontwikkeling die een groep leerlingen daarbij doormaakt.

Om die ontwikkeling mede gestalte te kunnen geven, is het nodig om regelmatig klassengesprekken te voeren over de processen die zich binnen de groep afspelen. Niet alleen de mentor in de mentorles maar ook de vakdocent zou regelmatig een gesprek met de klas moeten aangaan om de groepsprocessen tijdens de les te bespreken. 
Een gesprek voeren met een hele klas vol leerlingen kent echter wel de nodige valkuilen. In een groep van 30 leerlingen zullen er altijd een aantal zijn die het hoogste woord willen voeren en een aantal die het moeilijk vinden om in de grote groep echt hun mening te zeggen. 
En bij onderwerpen waarbij de leerlingen erg betrokken zijn, is de kans levensgroot aanwezig dat er veel leerlingen tegelijk iets willen zeggen of dat zich spontaan subgroepjes vormen die onderling aan het discussiëren slaan zonder oog en oor te hebben voor de rest van de klas. Als docent krijg je dan de neiging de regie sterk naar je toe te trekken en voor je het weet ben je hoofdzakelijk zelf aan het woord.

Hieronder heb ik een manier beschreven die het mogelijk maakt om zo veel mogelijk leerlingen bij het klassengesprek te betrekken. Mijn ervaring is dat leerlingen even moeten wennen aan het werken in groepjes. Uiteindelijk geven de meeste leerlingen aan dat deze manier van werken hen de maximaal mogelijke invloed biedt.

Stap 1. Voorbereiding

Zet de leerlingen in groepjes van drie à vier leerlingen bij elkaar. Als je leerlingen niet gewend zijn in groepjes te werken kun je leerlingen zelf de groepjes laten samenstellen. In dat geval zullen er in de meeste gevallen van de acht groepjes zes à zeven constructief meewerkende groepjes ontstaan, naast één of twee groepjes die niet echt constructief zullen meewerken. Als leerlingen vaker in groepjes werken dan is het aan te bevelen om de groepjes zelf in te (laten) delen op zakelijke criteria. Bijvoorbeeld: leerlingen die bij de laatste repetitie en heel hoog cijfer hebben gehaald bij leerlingen die een laag cijfer hebben gehaald gecombineerd met een opdracht om de opgetreden problemen met de repetitie te bespreken. Ook willekeurige criteria kunnen worden gebruikt: leerlingen met de meest uiteenlopende hobby’s bij elkaar, in elk groepje een zo gelijk mogelijk aantal meisjes en jongens, etc.
Wanneer je als docent aan de hand van bepaalde criteria de groepjes indeelt of laat indelen, is het belangrijk uit te leggen waarom je dat doet. Een heel belangrijke reden kan zijn dat leerlingen moeten leren samenwerken met uiteenlopende andere leerlingen en niet allen met vrienden of vriendinnen: in een baan kun je meestal ook niet je collega’s uitkiezen waarmee je moet samenwerken.

Stap 2. Introductie

De docent geeft aan wat het thema van het klassengesprek zal zijn. Bijvoorbeeld: de redenen onderzoeken van een slecht gemaakte toets om
de volgende keer een beter resultaat te halen. Belangrijk is om het thema positief te formuleren: wat gaan we doen om … te verbeteren?
In het geval van een negatieve formulering kunnen leerlingen snel in de verdediging schieten. Bijvoorbeeld als de docent zegt: “Ik wil met jullie een gesprek houden over het feit dat het altijd veel te lawaaiig is in deze klas”. Positief geformuleerd: “Ik wil met jullie een gesprek houden over hoe we de samenwerking/de sfeer/de rust in deze klas kunnen verbeteren”. Deze formulering geeft een oplossingsgerichte beginhouding.
Of tijdens de mentorles: “het gaat niet goed bij mijnheer Jansen en jullie cijfers voor biologie zijn daadoor ook te laag. Daar wil ik met jullie over praten”. Leerlingen kunnen dan al snel vervallen in een onvruchtbare klaagzang van wat er allemaal aan de biologieles van mijnheer Jansen niet deugt en wat er verder nog allemaal mis is binnen deze school.
Een positieve formulering zou kunnen zijn: “ik wil met jullie praten over wat jullie zouden kunnen doen om de relatie met mijnheer Jansen te verbeteren en hogere cijfers bij biologie te halen”. De nadruk komt dan te liggen op het proactief maken van leerlingen. Ook dat accepteert niet elke leerling zonder slag of stoot. Meestal is het noodzakelijk uit te leggen dat je een collega niet kan en wilt veranderen. Dat voorkomt bovendien dat je de indruk wekt je eigen collega af te vallen. Het enige wat je als mentor de leerlingen kunt bieden, is ze te leren hoe ze daar effectief mee om kunnen gaan. Dat is dan ook het doel van het gesprek. Mijn ervaring is dat zodra leerlingen afspraken die aan het eind van het gesprek zijn gemaakt uitvoeren en het positieve resultaat daarvan merken, de volgende keer veel gemotiveerder aan een vervolggesprek deelnemen.

Stap 3. Inventarisatie

De docent geeft een aantal concrete vragen op t.a.v. het gespreksthema. Bijvoorbeeld: wat gaat er wel en niet goed tijdens het samenwerken? Of: wat is er goed en niet goed aan de sfeer in deze klas? Wat is de oorzaak van het cijfer dat ik gehaald heb bij …?
Belangrijke vraag daarbij: “wat is ons (mijn) eigen aandeel daarin?” (Wat doen wij zelf om het wel/niet leuk te maken, enz.?) Elk groepje noteert in het kort de antwoorden op de vragen (een paar minuten).
De docent geeft dan de opdracht dat elk groepje een lijstje maakt met de belangrijkste punten die door de groepsleden zijn opgeschreven en dat ze het daar binnen hun groepje over eens moeten worden. Daarna wisselen de leerlingen in hun groepje de antwoorden op hun vragen uit en ze maken hun lijstje (een paar minuten). Deze discussieronde is erg belangrijk: alle leerlingen hebben iets tegen elkaar te zeggen. Voor een docent is het heel leerzaam dan rond te lopen en goed te luisteren.
De docent stopt de discussie en kiest aselect de woordvoerders. Bijvoorbeeld: stel in je groepje vast wie het hoogst huisnummer heeft. Of: wie er het eerst vanaf nu jarig is. Deze leerling is dan woordvoerder. Daarmee voorkom je als docent dat steeds dezelfde leerlingen woordvoerder zijn. Alle woordvoerders krijgen nu om beurten de gelegenheid om zonder interrupties van de anderen hun verhaal te doen.
De docent stelt “wat en hoe vragen” om zaken zo duidelijk mogelijk te krijgen en inventariseert op het bord. Belangrijk is om veel samen te vatten en te checken: “heb ik goed begrepen dat…..” Op dit moment reageert de docent zelf NIET inhoudelijk op wat de leerlingen naar voren brengen. De docent gaat GEEN discussie aan.
Als laatste geeft de docent, als hij of zij zelf ook betrokken is bij het gespreksthema, ook zelf antwoorden op de vragen: wat is mijn aandeel als docent? (Totaal ongeveer tien minuten).

Stap 4: Verzinnen van nieuwe regels en oplossingen

Elk leerling noteert vervolgens in het kort een aantal noodzakelijke nieuwe regels en mogelijke oplossingen voor de vastgestelde problemen (enkele minuten). Elk groepje discussieert over wat is opgeschreven en maakt een gemeenschappelijk lijstje. Eventueel kan om tijd te besparen een maximum aantal regels of oplossingen worden vastgesteld.
Alle woordvoerders (dat kunnen anderen zijn dan de eersten) krijgen dan de gelegenheid zonder interrupties van de anderen hun regels en oplossingen te presenteren. De docent inventariseert op het bord. Noteer naast de serieuze bijdragen ook een enkele onwerkbare of niet serieuze bijdrage: “nooit meer repetities hoeven maken”. De docent onthoudt zich nu van een oordeel! (Totaal ongeveer tien minuten). Als er echt geen serieuze bijdragen verschijnen: voelen leerlingen zich serieus genomen? Hebben ze echt invloed op de inhoud van het gesprek? Hoe zit het met de relatie tussen de docent en de klas? Het kan zijn dat er een veel belangrijker thema speelt dan het thema dat als eerste aan de orde is gesteld.

Stap 5. Schrappen

De docent stelt nu één voor één elke oplossing en regel aan de orde. Per onderdeel geven leerlingen op uitnodiging van de docent aan of de oplossingen en regels voor hen acceptabel zijn. Ook de docent geeft aan welke oplossingen en regels voor hem of haar wel of niet acceptabel zijn. Ook komt bij elk onderdeel aan de orde: is de regel of oplossing haalbaar? Wat zijn de consequenties? Let op dat één leerling tegelijk aan het woord is; kap herhalingen af. Enkel de serieuze en beste regels en oplossingen blijven nu over: daar wordt de meeste aandacht aan besteed. Met de niet-serieuze opties ben je heel snel klaar: niet acceptabel voor mij als docent. Mijn ervaring is dat leerlingen bij het regelmatig voeren van dit soort gesprekken snel doorkrijgen dat je als leerling de meeste invloed krijgt als je met goede en serieuze ideeën komt. Het aantal ‘grappige’ bijdragen neemt dan snel af. (Totaal ongeveer tien minuten)

Stap 6. Afspraken maken

Uiteindelijk stelt de docent samen met de leerlingen vast welke regels gaan gelden en welke oplossingen worden gekozen en in afspraken worden vastgelegd. Het moeten echte afspraken zijn: “wij spreken af dat jullie…. is geen afspraak maar een opgelegde regel. In dat geval is het eerlijker om te zeggen: “ik wil dat…..” Een echte afspraak is gebaseerd op wederkerigheid: beide partijen stemmen er mee in.
De docent draagt er zorg voor dat de afspraken acceptabel zijn voor zowel de docent als de leerlingen en dat de afspraken haalbaar zijn en zo concreet mogelijk geformuleerd. Laat de leerlingen ook eventuele (ludieke) sancties verzinnen bij het niet naleven van afspraken. Bij drukke klassen werkt het beter dit niet klassikaal te doen maar weer in groepjes zoals boven.
Zorg als docent voor een situatie waarbij iedereen iets wint: er mag geen situatie ontstaan waarbij één partij triomfantelijk gelijk krijgt.
In het bovenstaande voorbeeld van collega Jansen kan het zinvol zijn met enkele leerlingen te oefenen op welke manier ze een gesprek met hem aangaan. Leerlingen kunnen dan ervaren hoe ze goed over kunnen komen en op welke manier de kans op een positief resultaat groter wordt. Andere leerlingen kunnen daarbij suggesties geven als ‘coach’. Medeleerlingen krijgen dan vaak heel serieuze adviezen: “nee joh, dat moet je zo niet zeggen. Dan wordt-ie gelijk kwaad. Je moet … zeggen”.
Tot slot wordt er een moment afgesproken waarop wordt gekeken hoe de afspraken functioneren. Evaluatie en vervolggesprekken zijn in dit proces heel belangrijk: de kans op terugvallen in oude patronen is levensgroot aanwezig. (Totaal ongeveer tien minuten).

Tot slot: ja maar…. Dit kost zoveel tijd. Ja, dit kost veel tijd en het levert ook zoveel op dat je veel tijd en energie bespaart die je niet meer in steeds dezelfde negatieve zaken hoeft te steken. Niets is voor leerlingen meer motiverend dan werkelijk invloed hebben op de wijze waarop de les verloopt. Het bovenstaande stappenplan is ook gaandeweg ontstaan door feedback van mijn leerlingen die telkens met suggesties kwamen hoe je een dergelijk klassengesprek nog beter kon voeren. Er geldt wel een belangrijke voorwaarde: dat je als docent open het gesprek in gaat zonder je eigen oplossing vooraf. Als leerlingen merken dat het resultaat van het gesprek de oplossing moet opleveren die jij al in je hoofd had, dan werkt het gesprek heel averechts. Als ze merken dat ze werkelijk invloed hebben, raken ze steeds meer gemotiveerd met je mee te denken.