Vertrouwen winnen, hoe doe je dat?

De relatieboekhouding op orde.

Wie in het onderwijs werkt, weet hoe belangrijk een goede vertrouwensrelatie met leerlingen is: een absolute voorwaarde om leerlingen te kunnen laten leren en een begeleiding te laten slagen.

 

Toch kan de praktijk vaak weerbarstig zijn. Hoe komt het dat een klas soms niets meer van hun docent aanneemt? Welke docent kent niet de leerling die vanaf het eerste begin wantrouwend reageert op elke toenaderingspoging en bij het minste of geringste zich aangevallen voelt en in de verdediging schiet?

Gisteren was klas 3TL erg druk geweest en die dag had mevrouw Leenhout hoofdpijn. Halverwege die les was ze uit haar slof geschoten. Achteraf bedacht ze dat ze terecht boos was geworden maar dat haar reactie veel te fel was geweest. Ze had gemerkt dat de leerlingen waren geschrokken omdat ze haar zo niet gewend waren. Ze besloot er de volgende les op terug te komen: “Jongens, de vorige les ben ik erg uit mijn slof geschoten. Ik had hoofdpijn en vond jullie erg druk maar ik had dat niet op die manier moeten zeggen. Dus: sorry daarvoor”. Een jongen reageerde onmiddellijk: “oh, geeft niet mevrouw. We waren ook wel erg druk”. Er volgde een kort gesprekje waarin mevrouw Leenhout en de leerlingen het gebeurde van de vorige les bespraken. Daarna begon de les: er werd hard en rustig gewerkt. Mijnheer Jansen geeft les aan dezelfde klas. Als hij met 3TL probeert te praten, breekt de klas uit in gejoel. Leerlingen gaan felle discussies met hem aan. 
De vertrouwensrelatie tussen 3 TL en mevrouw Leenhout en mijnheer Jansen speelt hier een belangrijke rol. In een relatie maakt ieder mens (onbewust) een relatieboekhouding aan en hanteert daarbij een ‘vertrouwensmeter’ die het saldo van de relatierekening aangeeft. Op het moment dat ik een relatie met jou aanga, open ik een rekening in jouw relatieboekhouding en jij in die van mij. De uitbarsting van mevrouw Leenhout werd door de leerlingen ervaren als een opname van hun relatierekening. Haar excuus en het gesprekje dat daarop volgde is een grote storting. De reactie van de jongen betekent een acceptatie van deze storting. Het wederzijdse vertrouwen verdiept zich. De vertrouwensmeter stijgt. 

Maar waarom accepteren diezelfde leerlingen de stortingen op de relatie-rekening van mijnheer Jansen dan niet? Mijnheer Jansen (en hij niet alleen) vindt klas 3 TL een lastige klas: vanaf het begin van de cursus zijn ze vaak erg druk en moeilijk stil te krijgen. Bovendien zitten er een paar leerlingen in 3 TL die om de haverklap vragen waarom iets moet gebeuren. Zelf is mijnheer Jansen een gedreven docent: hij wil graag dat zijn leerlingen veel opsteken en steekt veel voorbereidingstijd in zijn lessen. Hij voelt zich regelmatig teleurgesteld: veel leerlingen lijken niet zo geïnteresseerd in de stof.
Op een dag neemt mijnheer Jansen zich voor nog eens een positieve poging te doen. Hij begint de les als volgt: “ik heb een heel mooie video over dit onderwerp. Als jullie goed je best doen dan laat ik die aan het eind zien”.
Ondanks het feit dat hij tijdens de les nog een paar leerlingen een waarschuwing geeft dat ze op moeten letten omdat anders de video niet door gaat, is hij redelijk tevreden en start de video. Tijdens het kijken naar de video gaat het toch weer mis: een aantal leerlingen praat erdoor heen. Mijnheer Jansen wordt uiteindelijk boos: de video wordt gestopt. Er wordt niet meer verder gekeken. De klas protesteert en vindt het “oneerlijk”.
Wat gebeurt hier nu? Aan het begin van de les koppelt mijnheer Jansen het zien van de video aan de inzet van de leerlingen. Hij maakt zich daarmee afhankelijk van het gedrag van de leerlingen en daarmee verzwakt hij zichzelf in plaats van onafhankelijk en autonoom van uit de eigen innerlijke kracht te opereren. Dat betekent verliest van respect en vertrouwen van leerlingen. Bovendien: wat moet mijnheer Jansen doen als de helft van de klas goed werkt en de andere helft niet? Wordt er wel video gekeken dan is de impliciete boodschap: aan mijn voorwaarde hoef je niet te voldoen. Leerlingen verliezen dan het vertrouwen in de waarde van wat je zegt. Als er geen video wordt gekeken, zullen leerlingen die wel goed hebben meegedaan zich oneerlijk behandeld voelen en daardoor hun vertrouwen verliezen. Zij zullen de volgende keer niet snel geneigd zijn nog eens mee te doen.
Het koppelen van het zien van de video aan goed gedrag is een voorbeeld van een oneigenlijke koppeling van zaken die in wezen los van elkaar staan. Oneigenlijke koppelingen zetten relaties op scherp: er worden voorwaarden gesteld aan de relatie. Oneigenlijke koppelingen plunderen de relatierekening totdat het saldo zo negatief is dat de leerlingen hun vertrouwen zijn verloren en geen stortingen meer accepteren. Dan is het moment aangebroken dat een docent geen goed meer kan doen.
In het beste geval zien leerlingen ook de positieve kanten van de docent, de inzet van mijnheer Jansen bijvoorbeeld, waardoor ze zich aan de situatie aan passen. Een docent kan dan de indruk krijgen dat de maatregelen hebben gewerkt. Het onderliggende vertrouwen is echter weg.

Wanneer de koppeling wordt losgelaten en er geen voorwaarden aan de relatie worden gesteld, is het wel of niet laten zien van de video een didactische keuze. Als leerlingen daar doorheen praten, geef je als docent direct daarop feedback. Om de regels van goede feedback makkelijk te kunnen onthouden, spreek ik van een ‘OEN-boodschap’.

Benoem achtereenvolgens:
Observeerbaar gedrag: “hé, er praten veel mensen door de video heen”.
Het Effect daarvan: “jullie missen nu waar het om gaat” en: “ik raak daar geïrriteerd door”.
Nieuw gedrag: “ik wil dat jullie stil zijn en goed kijken zodat je straks de vragen over de video kunt beantwoorden”.
Het benoemen van je observaties en de daarbij behorende effecten werkt voor veel leerlingen heel verhelderend. Het helpt ze bewust te worden van wat er gebeurt: “hebben jullie dat ook in de gaten?” Het basisvertrouwen dat je leerlingen schenkt, is een belangrijke storting op de relatierekening: leerlingen zijn er in eerste instantie niet op uit een les te verstoren, maar zijn bezig te leren wat het effect van hun handelen is, ook het effect op jou als mens voor de klas. Hoe specifieker de feedback, hoe duidelijker je als menselijke docent wordt, hoe meer vertrouwen je wint.

Ook leerlingen blijken de OEN-boodschap goed te kunnen leren als middel voor het geven van onderlinge feedback. Bijvoorbeeld als ze elkaar feedback geven op een presentatie van een medeleerling: “Je vertelde heel enthousiast (observatie), waardoor ik makkelijk bleef luisteren (effect)”. En: “Je las het van je papier en keek niet in de klas (observatie). Dat komt zo afstandelijk over (effect). Kijk tussen 2 zinnen af en toe eens rond (nieuw gedrag). Hoewel leerlingen in eerste instantie commentaar geven in de trant van: “zo praat je toch niet” of: “klinkt raar” vinden ze het uiteindelijk wel prettig. Na verloop van tijd geven ze vaak aan dat op die manier positieve feedback en kritiek krijgen voor een goede sfeer zorgt waarin ze meer zichzelf durven zijn. Dat betekent dat ook het onderlinge vertrouwen zich kan ontwikkelen.

In h2 zit Marion. Mijnheer Zwart is haar mentor. Hij heeft een goede band met leerlingen, maar Marion is aanvankelijk afwerend. Collega’s en medeleerlingen treedt ze met wantrouwen tegemoet. Complimenten en OEN-boodschappen pareert ze met stekelige opmerkingen. Als mijnheer Zwart zijn bezorgdheid uit en haar uitnodigt eens te komen praten, zegt ze: “wat wilt u van me? Er is niks”. Ze accepteert geen enkele storting op haar relatierekeningen. 
Bij leerlingen als Marion is het belangrijk om vertrouwen te winnen door te observeren hoe zij stortingen op de relatierekening doen en hen daarvoor een ‘ontvangstbevestiging’ te geven. Pas als ze zich daarin geaccepteerd weten, kunnen ze ook weer stortingen gaan ontvangen. 
Zo is Marion een ijverige leerling. Ze stelt regelmatig goede vragen over de les maar wel op de voor haar kenmerkende stekelige manier. 
Veel collega’s vinden het door haar houding moeilijk haar te complimenteren met haar werk en de enkele collega die dat wel doet, voelt zich teleurgesteld dat het desondanks niet lukt om contact met haar te krijgen. 
Haar medeleerlingen vinden haar een ’bitch’ en snappen vaak niet waarom ze zo kan uitvallen.

Mijnheer Zwart maakt opmerkingen als: “Marion, doordat je zo veel vragen stelt, heb ik het gevoel dat ik veel aan je kwijt kan en het houdt me scherp. Dat vind ik fijn”. En: “Ik vind het leuk om te merken dat je zo goed aan het werk bent: dat geeft me veel voldoening”. Belangrijk verschil met een compliment, is dat mijnheer Zwart aangeeft welk positief effect Marion op hem bewerkstelligt. Hij accepteert haar als mens en honoreert haar stortingen. Dat betekent niet dat hij ook haar stekelige gedrag blijft accepteren. Door de stortingen op haar relatierekening te honoreren kan hun vertrouwensrelatie groeien.
Daardoor wordt de kans groter dat ze aanspreekbaar wordt op de negatieve kanten van haar gedrag. 
Uiteindelijk kwam Marion haast terloops vertellen over het gezin waar ze opgroeide waardoor duidelijk werd hoe haar relatierekeningen waren geplunderd. Veel docenten en begeleiders kennen de soms verschrikkelijke verhalen van leerlingen waardoor duidelijk wordt waarom ze doen zoals ze doen. Tegelijkertijd is het ook in die gevallen belangrijk dat leerlingen leren dat niet als excuus voor negatief gedrag te gebruiken en te leren wat het effect is van hun gedrag op anderen. Je neemt leerlingen serieus in hun verhaal en je biedt ze de mogelijkheid een stap te zetten in hun ontwikkeling naar volwassenheid.

Ik heb gemerkt dat de meeste leerlingen het beeld van een relatieboekhouding goed kunnen begrijpen. Dat kan hen helpen inzicht te krijgen in wat er in hun relaties met docenten en medeleerlingen gebeurt. 
Bij leerlingen die (vaak onbedoeld) je vertrouwen beschamen is het belangrijk eerst op zoek te gaan naar stortingen die ze doen en die te honoreren, zoals mijnheer Zwart bij Marion deed. Vervolgens benoem je het effect van hun negatieve gedrag.
Mijnheer Zwart nodigde Marion uit voor een gesprek: “Marion, doordat je zo veel vragen stelt, heb ik het gevoel dat ik veel aan je kwijt kan. Dat vind ik fijn (honoreert de storting). Alleen: als je mij een vraag stelt, lijkt het alsof je wat ik vertel onzin vindt. En je klinkt vaak boos. Daar heb ik moeite mee. Eigenlijk heb ik dan geen zin meer om je vraag te beantwoorden”. Marion kijkt verbaasd: “U vertelt helemaal geen onzin en ik ben dan helemaal niet boos”. Toen mijnheer Zwart met Marion op zoek ging naar wat ze eigenlijk wilde, gaf ze aan: “dat ze (docenten en medeleerlingen) naar me luisteren”. Mijnheer Zwart vroeg ook wat het positieve effect was van haar ‘stekelige’ gedrag: wat levert dat haar op? Marion: “ik laat niet over me heen lopen”. 
Zo kon mijnheer Zwart samen met haar alternatieven ontwikkelen en oefenen: hoe zorg jij dat er naar jou geluisterd wordt, hoe geef jij je grenzen aan en hoe kun je tegelijkertijd rekening houden met je docenten en je medeleerlingen? 

Uit de bovenstaande praktijkverhalen vallen enkele elementen te halen om het onderlinge vertrouwen tussen docenten en leerlingen te vergroten en de relatieboekhouding op orde te krijgen.

  1. Handel vanuit innerlijke kracht in het hier en nu in plaats van gebruik te maken van hulpbronnen buiten jezelf (bijvoorbeeld je machtspositie als docent).
  2. Ga een authentieke relatie aan zonder voorwaarden vooraf en zonder oneigenlijke koppelingen. Leerlingen vergeven een docent vele ‘fouten’ zolang ze overtuigd blijven van je oprechtheid als docent.
  3. Let goed op wat leerlingen laten zien aan schenkingen van vertrouwen en honoreer dat door ze daar expliciet feedback op te geven. Hoe specifieker de feedback, hoe meer leerlingen daarvan kunnen leren.